De Equator Principles

Achtergrond

Grote projecten op het gebied van bijvoorbeeld infrastructuur en industrie of in het kader van de energietransitie kunnen een negatieve impact hebben op de lokale bevolking, ecosystemen en het milieu. Doordat de focus van investeerders, financiers en adviseurs van deze projecten vaak met name ligt op de financiële resultaten van het project werd niet altijd goed met deze negatieve effecten omgegaan. Een aantal partijen in de financiële sector wilde daarin verandering aanbrengen.

Sinds 2003 heeft een aantal financiële instellingen zich verbonden aan de Equator Principles (hierna de EP). Doel van de EP is negatieve effecten van projecten op mens en milieu te voorkomen en, waar dat niet kan, deze effecten zoveel mogelijk te herstellen, compenseren of mitigeren en er verantwoordelijk mee om te gaan. Daarbij spitsen de EP zich toe op (de bescherming van) biodiversiteit, ecosystemen, mensenrechten en lokale minderheden, en besteden ze aandacht aan inspraak van belanghebbenden en aan (de risico’s van) klimaatverandering.

Om dit doel te bereiken, bieden de EP een referentiekader voor financiële instellingen om samen met de vennootschap die het project ontwikkelt (hierna de SPV) de milieu- en sociale risico’s van het project in kaart te brengen, te analyseren en te managen. De EP bieden minimum standaarden waaraan de SPV zich verbindt. Deze standaarden zien enerzijds op het aan het project voorafgaande due diligence op milieu- en sociaal gebied, en anderzijds op het monitoren van de omgang met die tijdens het due diligence vastgestelde milieu- en sociale risico’s en impact gedurende de looptijd van het project.

Reikwijdte

De EP zijn wereldwijd van toepassing en aangenomen door 105 financiële instellingen in 38 landen. Binnen Nederland hebben ABN Amro, ASN Bank, Rabobank, FMO, ING Bank, NN Investment Partners en NIBC Bank zich aangesloten. Wereldwijd hebben onder meer Santander, Bank of America, Barclays, BNP, Citigroup, HSBC, JPMorgan, KBC, Lloyds, MUFD en Wells Fargo zich aan de EP verbonden. Klik hier voor een overzicht van de aangesloten instellingen.

De aangesloten instellingen moeten de EP toepassen bij vier verschillende typen financieringen: (i) projectfinancieringen en (ii) projectfinancieringsadvies, in beide gevallen als de totale kapitaalbehoefte van het project minstens USD 10 miljoen bedraagt, (iii) project gerelateerde corporate leningen met een looptijd van minstens twee jaar en waarbij de lening ten minste USD 50 miljoen bedraagt, en (iv) herfinancieringen waarbij het project eerder al in overeenstemming met de EP was gefinancierd en de completion date nog niet is bereikt.

Het begrip “project” onder de EP is ruim beschreven. Zo wordt specifiek verwezen naar elektriciteitscentrales, productielocaties, projecten op het gebied van infrastructuur, chemicaliën of olie en gas, grootschalige vastgoedontwikkelingen (of kleinere vastgoedontwikkelingen in kwetsbare gebieden), maar vallen ook de uitbreiding of vernieuwing van reeds bestaande projecten en “alle andere projecten die significante milieu- en/of sociale risico’s en impact hebben” onder dit begrip. Zodoende zullen de EP – als de hiervoor genoemde drempelbedragen worden gehaald – op veel verschillende projecten van toepassing zijn.

Wijziging van de huidige Equator Principles naar de Equator Principles IV

Gedurende de afgelopen twee jaar zijn de EP herzien in samenspraak met de aangesloten financiële instellingen zelf, maar ook met hun klanten, de industrie, investeerders en NGO’s. In 2018 en in juni 2019 hebben consultatierondes plaatsgevonden. In november 2019 is de definitieve tekst van de nieuwe EP gepubliceerd: de Equator Principles IV, July 2020.

De nieuwe EP worden per 1 juli 2020 van kracht. De EP organisatie (de Equator Principles association) moedigt financiële instellingen aan de gewijzigde EP ook al voor die tijd toe te passen en wij zien bij de projectfinancieringen waarbij wij adviseren dat dit inderdaad gebeurt.

De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de vorige EP zijn de volgende:

  1. meer aandacht voor klimaatverandering. Het akkoord van Parijs wordt erkend en er is voor projecten met een grotere impact of hoge CO2 uitstoot (meer dan 100.000 ton CO2 of vergelijkbare emissie per jaar) een “Climate Change Risk Assessment” geïntroduceerd. Dit assessment moet zowel fysische risico’s op korte en lange termijn als de transitierisico’s van klimaatverandering voor het project in kaart brengen. Het gaat dan bijvoorbeeld om extreem weer, temperatuur- en zeespiegelstijging, emissiebeperkingen of -heffingen en restricties op land- en watergebruik. Naast het vaststellen van de risico’s moet de SPV ook toelichten hoe het project met die risico’s zal omgaan;
  2.  meer onderzoek naar de mogelijke schending van mensenrechten. Zo geldt er een (externe) controle voor de inspraakprocedure bij projecten die ingrijpende gevolgen hebben op inheemse volkeren (bijvoorbeeld bij relocatie van stammen of schending van cultureel erfgoed dat essentieel is voor een inheems volk). Ook geldt voor die projecten dat de gedupeerden hun “free, prior and informed consent” (FPIC) moeten kunnen geven, waarbij wordt aangesloten bij bestaande internationale standaarden (de IFC Performance Standards);
  3. meer aandacht voor werknemers en biodiversiteit. Werknemers worden nu bijvoorbeeld expliciet meegenomen in het assessment van de gevolgen van het project en in de inspraakprocedure. Daarnaast moet over biodiversiteit waar mogelijk worden gerapporteerd; en
  4. uitbreiding van het toepassingsgebied. De drempel voor project gerelateerde corporate financieringen is bijvoorbeeld verlaagd van USD 100 miljoen naar USD 50 miljoen.

Verplichtingen uit de Equator Principles in de financieringsdocumentatie

De EP bestaan uit 10 beginselen. Deels zijn dit verplichtingen voor de financiële instellingen zelf. Bijvoorbeeld over categorisering van projecten en rapportering richting de EP organisatie. Merendeels zijn het echter verplichtingen waaraan het project / de SPV moet voldoen.

De omvang van deze verplichtingen hangt af van de mogelijke milieu en sociale risico’s en impact van het project. Projecten worden gecategoriseerd als A, B of C. De categorie van het project bepaalt vervolgens welke zware of juist minder zware verplichtingen worden opgelegd aan de SPV in de kredietovereenkomst. Categorie A betreft projecten met een mogelijk significante negatieve impact die divers, onomkeerbaar en grootschalig is. Te denken valt aan grootschalige grondontwikkeling of mijnbouw. Voor deze projecten gelden de zwaarste verplichtingen. Categorie C projecten hebben juist minimale of geen enkele negatieve impact en hoeven zodoende aan minder verplichtingen te voldoen. We verwachten dat het merendeel van de projecten in Nederland in categorie B valt. Zo zien wij bijvoorbeeld dat geothermieprojecten en windturbineparken (van een zekere omvang) en soms ook biomassacentrales, in deze categorie worden ingedeeld. Binnen categorie B bestaat voor sommige verplichtingen ruimte om de zwaarte daarvan af te stemmen op de specifieke impact van het project zoals vastgesteld tijdens het due diligence.

In onderstaande alinea’s beschrijf ik de hoofdlijnen van de verplichtingen voor een categorie B project in Nederland.

De SPV voert eerst een milieu- en sociaal “assessment” uit om de mogelijke risico’s van het project in kaart te brengen. Wordt op voorhand verwacht dat het project grote milieu- en sociale gevolgen heeft, dan geldt een “impact assessment” en mogelijk ook een “Climate Change Risk Assessment” (in plaats van een ‘gewoon assessment’) als zwaardere toetsing. Op basis van het assessment stelt de SPV een management plan op waarin staat hoe de SPV de gesignaleerde negatieve effecten zal voorkomen of, als dat niet kan, zal herstellen of compenseren. De SPV moet ook een management systeem hebben dat ervoor zorgt dat gedurende de looptijd van het project op continue basis verantwoordelijk met de milieu- en sociale gevolgen en risico’s wordt omgegaan. Als blijkt dat bepaalde negatieve gevolgen niet (voldoende) worden voorkomen, moet de SPV een actieplan opstellen. Daarin staan specifieke maatregelen en prioriteiten om die gevolgen alsnog zoveel mogelijk te verkleinen en compenseren. De maatregelen uit dit actieplan gelden in aanvulling op het assessment, het management plan en het management systeem.

In de kredietovereenkomst komen de verplichtingen op verschillende plekken terug:

  1. opschortende voorwaarden: voordat de financiering beschikbaar wordt gemaakt, moet de SPV het (impact) assessment uitvoeren en de uitkomst in een rapport vastleggen (het “Environmental and Social (Impact) Report“). Ook moet de SPV het management plan en – als dat nodig blijkt – het actieplan beschikbaar maken en moet het management systeem in werking zijn. De SPV moet ook aantonen dat het project over alle benodigde vergunningen beschikt en daaraan voldoet. Voor projecten met grotere impact kan ook een “Climate Change Risk Assessment” vereist zijn, en/of een externe deskundige die alle stukken doorneemt en moet goedkeuren;
  2. verklaringen: de SPV verklaart dat het project voldoet aan alle milieu- en sociale wetgeving en de vergunningen. Bij zwaardere projecten verklaart de SPV ook dat er een externe deskundige is benoemd die zal adviseren over uitvoering van het management plan (en actieplan, als dat er is);
  3. informatieverplichtingen: de SPV moet periodiek aantonen dat het project zich houdt aan milieu- en sociale wetgeving, vergunningen, het management systeem en -plan, het actieplan en de EP beginselen. Deze rapportage moet minstens één keer per jaar plaatsvinden. Afhankelijk van het project zullen deze rapporten door een externe deskundige worden verzorgd of door de SPV zelf. Daarnaast gelden – als het project veel broeikasgassen uitstoot – aanvullende rapportageverplichtingen over de CO2 emissie. Ook kan het vereist zijn om voor onderzoeksdoeleinden over biodiversiteit te rapporteren. Tot slot, moet ten minste een samenvatting van het (impact) assessment online beschikbaar zijn. Als dat passend is voor het project moet die samenvatting ook ingaan op mensenrechten en klimaatverandering; en
  4. doorlopende verplichtingen: er moet een (milieu- en sociaal) management systeem en -plan zijn dat wordt nageleefd en als er een actieplan is, moet dit worden uitgevoerd. Als onderdeel van het management systeem moet de SPV zorgen dat er op continue basis voldoende inspraak is voor belanghebbenden (de “Stakeholder Engagement”). Daarbij gaat speciale aandacht uit naar lokale gemeenschappen en werknemers, en is voor zwaardere projecten een klachtenmechanisme vereist. Na afloop van het project moet de installatie worden ontmanteld.

Handelt de SPV in strijd met deze verplichtingen, dan moet de SPV in overleg met de financier herstelmaatregelen nemen zodat het project zo snel mogelijk weer aan de EP voldoet. Lukt dat niet binnen de afgesproken hersteltermijn, dan is dat een opeisingsgrond onder de kredietovereenkomst.

Wat betekenen de Equator Principles voor projecten in Nederland?

Nederland kwalificeert als “Designated Country“. Dat houdt in dat de EP organisatie de wetgeving, het toezicht en de institutionele capaciteit in Nederland van dien aard vindt dat ze mens, natuur en milieu beschermt. Daarom mogen de toepasselijke (milieu- en sociale) wet- en regelgeving en de benodigde vergunningen als handvat worden gebruikt om vast te stellen of een project aan de EP voldoet. Dat scheelt de Nederlandse projecten voor aanvang van het project een hoop dubbel werk (en dus tijd en kosten). We lichten dat toe in de volgende alinea’s.

Voor het verlenen van vergunningen voor projecten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet een milieu effect rapportage (m.e.r.) worden doorlopen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de oprichting of uitbreiding van een windturbinepark, thermische centrales, verbrandingsinstallaties of installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (mits de drempelwaarden opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden).

De m.e.r. verplicht de SPV om op voorgeschreven wijze de milieueffecten van het project vast te leggen in een milieu effect rapport (MER). Ook geldt er een inspraakprocedure: derden kunnen zienswijzen indienen en, afhankelijk van de aangevraagde vergunning, kunnen belanghebbenden ook beroep (en hoger beroep) instellen. De m.e.r. kan worden gebruikt als het onder de EP verplichte (impact) assessment en het MER als het “Environmental and Social (Impact) Report“. Bij de inspraakprocedures kan worden aangehaakt voor de onder de EP verplichte “Stakeholder Engagement”.

Op basis van Nederlandse wet- en regelgeving (zoals de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer of op grond van Arbowetgeving) moeten Nederlandse projecten beschikken over verschillende monitoringsplannen en –systemen, inclusief monitoringsprogramma’s en werkprotocollen. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan het meten en monitoren van bepaalde emissies of het opstellen van een “Risico-Inventarisatie en -Evaluatie” (RI&E) en bijbehorend plan van aanpak voor personeel. Onderdeel daarvan kan ook een klachtenregeling voor werknemers zijn (zoals onder de EP vereist voor zwaardere projecten). Het bevoegd gezag moet deze plannen en protocollen goedkeuren en kan indien nodig overgaan tot handhaving.

Deze documentatie kan worden gebruikt als het management plan en -systeem onder de EP en moet dus vaak al bij projecten beschikbaar zijn en worden nageleefd. Vergunningen bevatten daarnaast vaak voorschriften om de effecten op natuur en milieu te mitigeren. Het naleven van geldende vergunningvoorschriften zou zodoende (afhankelijk van het project) ook al grote overlap kunnen hebben met het naleven van de verplichtingen onder de EP.

Aanvullende verplichtingen voorafgaand aan de start van het project zullen er wel zijn voor sommige zwaardere projecten. Die moeten misschien een “Climate Change Risk Assessment” uitvoeren of een externe deskundige inschakelen. Er zijn hiervoor gespecialiseerde (technische) adviseurs beschikbaar die vaak op korte termijn en tegen een niet al te hoge vergoeding kunnen adviseren.

Gedurende de looptijd van het project gelden onder de EP wel enkele verplichtingen in aanvulling op de Nederlandse wet- en regelgeving en vergunningen. Dat is bijvoorbeeld de verplichting periodiek te rapporteren (aan de financier) en bepaalde informatie te publiceren.

Daarnaast moet de inspraakprocedure gedurende de looptijd van het project beschikbaar blijven. We merken dat voor SPV’s lastig is in te schatten wat er op dit punt van hen wordt verwacht. Wanneer is voldoende kans geboden om inspraak te hebben? En wat moet je over die inspraak publiceren? Wij menen dat – in aanvulling op de huidige formele inspraakprocedures bij de m.e.r. en de benodigde vergunningen voorafgaand aan de start van het project (waaronder de bestaande mogelijkheden van bezwaar en beroep en de toekomstige participatie bij ruimtelijke besluitvorming onder de Omgevingswet) – het bij projecten in Nederland voldoende is dat op de website van het project: (i) duidelijk de voortgang van het project en de opvolging van eerdere inspraak wordt beschreven; en (ii) een contactformulier is opgenomen waar vragen en klachten kunnen worden ingediend. Uiteraard moet er dan zorgvuldig met de ontvangen inspraak worden omgegaan (en dit ook worden vastgelegd). Ook kan, afhankelijk van (de fase van) het project, wellicht een aanvullende maatregel nodig zijn. Bijvoorbeeld de omwonenden tijdig (per post of met een informatiebijeenkomst) vooraf informeren als er bepaalde luidruchtige of anderszins verstorende werkzaamheden zullen plaatsvinden.

Overigens geldt de inspraakprocedure ook voor werknemers en zal voor zwaardere projecten daarnaast doorlopend een klachtenmechanisme beschikbaar moeten zijn.

Onderhandelingen over de Equator Principles tussen de SPV en de financier(s)

In onze ervaring kunnen de EP – en de tekstblokken die zien op de EP in de kredietovereenkomst – weleens overweldigend zijn voor de SPV. Het idee dat er zoveel (vaak onvoorziene) verplichtingen op het project afkomen kan voor een schrikreactie zorgen die de onderhandelingen over de financieringsdocumentatie niet ten goede komt.

Met deze blog hebben wij hopelijk laten zien dat voor veel projecten in Nederland de extra verplichtingen vaak overzichtelijk zullen zijn, al lijken deze op het eerste gezicht veelomvattend. De EP zijn daarnaast flexibel (zeker bij categorie B projecten) en geven ruimte aan de financier om per project te kijken “waar de pijn zit” en met de SPV afspraken te maken die aansluiten bij de specifieke risico’s van dat project. Door dit maatwerk kunnen de verplichtingen voor het project behapbaar blijven terwijl tegelijkertijd het doel van de EP wordt nagestreefd.

Voor meer informatie, neem contact op met: Sharon Kaufmann, Herman Wamelink of Katinka van den Brink.

Praktijkgebieden